
Het college van B&W vindt dat het exploiteren van vrouwen in de seksindustrie niet zonder meer mogelijk moet zijn. De opheffing van het bordeelverbod (2000) die prostitutie legaal maakte en ruim baan gaf aan het exploiteren van vrouwen in de seksindustrie heeft niet gebracht wat er van werd verwacht.
Nog steeds worden vrouwen uitgebuit, is er sprake van vrouwenhandel en gedwongen prostitutie. Om hier een halt aan toe te roepen pleit het college voor een aantal maatregelen dat deels door de gemeente zelf en deels door het Rijk getroffen moet worden. Kern is dat het eenzijdig voordeel trekken uit de exploitatie van vrouwen in de seksindustrie - zonder tegenprestatie - verboden moet worden. Bordeelhouders, escortbemiddelaars en beschermers die door vrouwen worden ingehuurd, mogen in de toekomst alleen nog hun werk doen nadat zij van de overheid een vergunning hebben ontvangen. Met verblijfsverboden en financiële maatregelen (belastingaanslagen, intrekken uitkeringen) gaat het college daders van gedwongen prostitutie hard aanpakken. De leeftijd van prostituees moet omhoog van 18 naar 21 jaar.
Deze maatregelen vormen onderdeel van een reeks barrières
waarmee de gemeente een dam wil opwerpen tegen uitbuiting in de
seksindustrie. Hiermee breekt Amsterdam met het verleden waarbij
alleen aandacht uitging naar de slachtoffers van
mensenhandel.
De Amsterdamse aanpak bestaat uit drie stappen: preventie,
ontmoediging en opsporing, vervolging. Dit staat in de nota 'Oud
Beroep, Nieuw beleid, Prostitutie 2007-2010' die op 14 december
2007 naar de gemeenteraad is gestuurd.
Barrièremodel
Het principe van het barrièremodel is het ontmoedigen of
tegenhouden van (potentiële) daders door op verschillende
gebieden barrières op te werpen. Zo wil Amsterdam op
ruimtelijk-fysiek terrein verblijfsverboden opleggen aan
souteneurs op de Wallen. Daarvoor moet een passage worden
toegevoegd aan de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).
Hierdoor wordt het ondersteunen van prostituees - zoals geld
aannemen en/of doelloos hangen in de deuropening van een
raambordeel - in de overlastgebieden verboden.
Nieuwe wet
Amsterdam wil een nieuwe wet om gedwongen prostitutie beter aan
te pakken. Weliswaar zijn in de seksindustrie uitbuiting en dwang
al strafbaar, maar in de praktijk zijn die misstanden vaak alleen
aan te tonen met een aangifte van het slachtoffer. Helaas klopt
slechts een op de twintig slachtoffers aan bij de politie. De
gemeente vraagt daarom aan het Rijk om de wet zo aan te passen
dat 'eenzijdig, rechtstreeks financieel voordeel trekken uit een
relatie met een prostituee' strafbaar wordt, ook als dit niet
aantoonbaar tegen de zin van de prostituee gebeurt. Dit betekent
dat het niet langer is toegestaan geld te verdienen aan
prostituees zonder daar iets voor terug te doen, zoals een raam
verhuren, bemiddelen richting klanten of zorgen voor beveiliging.
De met de opheffing van het bordeelverbod verbonden opheffing van
het souteneursverbod uit 2000 wordt hiermee voor een deel
teruggedraaid.
Een andere landelijke maatregel die het college voorstelt is het verhogen van de minimumleeftijd voor prostituees van 18 naar 21 jaar. De aard van het beroep vraagt om een zekere mate van volwassenheid en daar hoort een hogere leeftijd bij.
Escort
Recent onderzoek wijst uit dat de
escortbranche in de afgelopen jaren flink is gegroeid, mogelijk
zelfs verdubbeld. Ook hier is sprake van misstanden.
Onvrijwilligheid, uitbuiting en mensenhandel van vooral Roemeense
escorts vragen daarom ook om een aanpak via het barrièremodel.
Ook wil het college een vergunningstelsel invoeren voor in elk
geval escortbemiddelaars waarbij een vast adres en een vast
telefoonnummer vereist is. Het college wil ook dat de wet Bibob,
net als bij de bordelen, voortaan ook op de escortbedrijven wordt
toegepast.
De escortbranche is buitengewoon mobiel en daardoor ongrijpbaar. Amsterdam benadrukt het belang van landelijke regelgeving, omdat de branche bovenlokaal opereert. Om die reden heeft Amsterdam tot op heden geen vergunningsysteem willen invoeren. Nu het Rijk heeft toegezegd een landelijk vergunningstelsel in te stellen, zal Amsterdam met een lokale vergunning beginnen om de branche te reguleren.
Positie vrouw
Het college beoogt met deze voorstellen te komen tot een zo
beheersbaar mogelijke prostitutiebranche met bijzondere aandacht
voor de positie van de vrouwen die hierin werkzaam zijn. Het
college wil - de APV biedt hiervoor ruimte - nadere regels
vaststellen voor prostitutiebedrijven in het belang van de
veiligheid van deze vrouwen. Zo kan geëist worden dat er
alarmknoppen in de werkkamers worden aangebracht. Prostituees
kunnen zelf een beveiliger inhuren, maar die zal over een
beveiligingsvergunning van het ministerie van Justitie moeten
beschikken. Vanzelfsprekend komt niet iedereen voor een
dergelijke vergunning in aanmerking.
Naast alle maatregelen die genomen worden om de criminaliteit in de prostitutie tegen te gaan, heeft het college ook grote aandacht voor de hulpverlening aan prostituees. Zo wil het college een programma maken om prostituees weerbaar te maken tegen mensenhandelaren. Hierin zullen zowel zakelijke, gezondheidstechnische als psychologische aspecten aan bod komen. Het Hulp, Advies en Gezondheidscentrum voor prostituees, dat begin volgend jaar opengaat, zal dit programma aanbieden. Het centrum zal een belangrijke rol bij de signalering van mensenhandel en andere misstanden spelen. Prostituees kunnen er ook terecht met diverse vragen over gezondheid, arbeidspositie en andere sociaal-maatschappelijke onderwerpen.
Achtergrond
De voorgestelde aanpak van het college is het resultaat van een
integrale doorlichting van de prostitutiebranche die de gemeente
heeft uitgevoerd. Uit verschillende onderzoeken is gebleken dat
misstanden in de prostitutiebranche nog steeds aan de orde van de
dag zijn. Vooral gedwongen prostitutie door mensenhandelaren is
een ernstig probleem. De drie belangrijkste groepen
mensenhandelaren worden gevormd door de Nederlandse,
Oost-Europese en West-Afrikaanse (veelal Nigeriaanse) daders. De
binnenlandse mensenhandel wordt gedomineerd door de zogenoemde
loverboys, ongediplomeerde jonge mannen tussen de 18 en 30 jaar
met veelal een criminele achtergrond, en vaak ook met een Turkse,
Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse achtergrond. De
buitenlandse mensenhandel laat minder alleen opererende
souteneurs zien, maar kenmerkt zich door georganiseerde netwerken
in Oost-Europa/Turkije en West-Afrika.


