
Laagopgeleide mannen tussen de 17 en 25 jaar gebruiken geweld tegen homo's als zij zich uitgedaagd voelen om hun mannelijkheid te bewijzen. Daders zeggen 'op zich niets tegen homo's te hebben', zolang ze zich op een manier gedragen die zij acceptabel vinden. De machocultuur van jongensgroepen daagt hen uit om afstand te nemen van 'typisch homogedrag', desnoods door middel van geweld. De oorzaak van geweld tegen homo's ligt daarom in ideeën over mannelijkheid en seks, vrijwel niet in religie. Ook komt georganiseerd 'potenrammen' niet of nauwelijks voor. Dat blijkt uit het onderzoek 'Als ze maar van me afblijven', dat is uitgevoerd door de Universiteit van Amsterdam in opdracht van de gemeente Amsterdam.
De tolerantie van homoseksualiteit blijkt onder relatief grote groepen jonge mannen een dun laagje beschaving te zijn. Het onderzoek wijst uit dat negatieve ideeën over homoseksualiteit breed voorkomen binnen de krijgsmacht en (voetbal)sport ongeacht etniciteit. Intolerantie gaat hand in hand met discriminatie en fysiek geweld, wat ten koste gaat van een veilig klimaat voor homoseksuelen. Het onderwijs vormt daar geen uitzondering op. Onder jongeren is veel discriminatie van homo's, grotendeels gecombineerd met onwetendheid over homoseksualiteit. Dit leidt tot een onveilig klimaat op scholen waarbij uitsluiting van homoseksuele jongeren aan de orde van de dag is.Voor het onderzoek zijn daders geïnterviewd, dossiers van politie, reclassering en rechtbank bestudeerd, gesprekken gevoerd met jongeren die tot risicogroepen behoren en zijn vragenlijsten afgenomen onder Amsterdamse scholieren.
Oorzaak
De hoofdoorzaak van de afkeer die de daders van antihomoseksueel
geweld voelen voor homoseksualiteit, ligt in hun opvattingen en
emoties over mannelijkheid en seksualiteit. Vier aspecten hiervan
blijken vooral ergernis, afkeuring en walging op te roepen: anale
seks, 'vrouwelijk' gedrag, de zichtbaarheid van homoseksualiteit
en de angst om door een homo versierd te worden. Opvallend
hierbij is dat de jongens homoseksualiteit niet op alle fronten
afwijzen. In veel gevallen zeggen ze helemaal geen hekel te
hebben aan homo's en realiseren ze zich dat homoseksualiteit bij
de samenleving hoort. Wel stellen ze strenge voorwaarden;
homoseksuelen mogen de vier genoemde aspecten niet in hun gedrag
tonen. Geweld ontstaat voornamelijk als deze jongens denken
seksueel object van homomannen te zijn: in bijna 40% van de
onderzochte gevallen is dit een aantoonbare 'trigger' van het
geweld. Deze jongens kunnen het idee niet verdragen dat ze in een
rol kunnen worden gedrongen die zij als vrouwelijk en vernederend
zien.
Daders
Verdachten van fysiek geweld zijn meestal jongens tussen de 17 en
25 jaar. Ze zijn even vaak van autochtoon-Nederlandse als van
Marokkaanse afkomst (beide 36%). Aangezien van alle Amsterdamse
jongeren tot en met 24 jaar 39% tot de eerste en 16% tot de
tweede groep behoort, zijn Marokkanen oververtegenwoordigd als
verdachten van de genoemde vorm van geweld. Het grootste deel
(55%) van de fysieke geweldsdelicten is buiten de bekende plekken
voor homoseksuelen (het uitgaansleven en
homo-ontmoetingsplaatsen).
Er zijn weinig verschillen te vinden tussen de manier waarop verschillende groepen (scholieren, risicojongeren en daders) over homoseksualiteit denken. Zo blijkt bij veel middelbare scholieren de homotolerantie flinterdun te zijn: jongeren geven weliswaar aan homoseksualiteit in algemene zin te accepteren, maar ze zijn aanzienlijk minder tolerant over homoseksualiteit in hun nabijheid.
De geringe verschillen tussen de groepen leiden tot de zorgwekkende constatering dat de potentiële dadergroep erg groot is. Dit blijkt ook uit het feit dat veel daders van antihomogeweld hun delict niet tevoren plannen. Van georganiseerd 'potenrammen' is slechts op beperkte schaal sprake. De meeste incidenten ontstaan ter plekke. De situatie loopt uit de hand op het moment dat de daders geconfronteerd worden met een situatie die conflicteert met hun opvattingen over mannelijkheid en seksualiteit.
De onderzoekers vonden een aantal factoren dat verklaart waarom sommigen wel overgaan tot antihomoseksueel geweld en anderen niet. Daders plegen geweldsdelicten vaak in groepen en kunnen slecht weerstand bieden aan groepsdruk. Het afzetten tegen homoseksualiteit heeft in veel groepen een identiteitsfunctie: jongeren verwerven zo een stoere, mannelijke status. Zo voorkomen ze om te worden gezien als 'homo', wat voor hen gelijk staat aan zwak en vrouwelijk. Daarnaast spelen sociaaleconomische factoren een belangrijke rol. Daders zijn opvallend vaak laagopgeleid, werkloos en afkomstig uit probleemgezinnen. Het plegen van antihomoseksueel geweld kan een effectieve manier zijn om respect en een mannelijke status te verkrijgen voor wie dat op legale wijze niet lukt. Het geweld van daders is niet religieus geïnspireerd; godsdienstige opvattingen spelen hooguit op de achtergrond een indirecte rol.
Feiten en cijfers
In 2007 werden er 201 homogerelateerde meldingen en aangiften
gedaan bij de Amsterdamse politie. Het gaat om 79 gevallen van
verbaal geweld (39%), 38 gevallen van serieuze bedreiging (19%),
17 gevallen van beroving (9%) en 67 gevallen van fysiek geweld
(33%).
Slachtoffers van antihomoseksueel geweld stappen in overgrote
meerderheid van de gevallen niet naar de politie: naar schatting
wordt 75 tot 96% van dit type incidenten niet gemeld. Het
werkelijke aantal incidenten zal dus veel hoger liggen. In totaal
wordt in 43% van alle incidenten een verdachte
geregistreerd.
Ruim de helft van de fysieke geweldincidenten is zomaar ergens op
straat, het restant (42%) in het homo-uitgaanscircuit en op
homo-ontmoetingsplaatsen (in parken). Antihomogeweld komt vooral
voor in het weekend met een piek in de zomer (vooral in
augustus).


